Verkennend bodemonderzoek |
Voor steeds meer doeleinden kan men verplicht worden tot het uitvoeren van een bodemonderzoek of is het verstandig dit op vrijwillige basis te doen. De onderzoeksverplichting geldt o.a. voor bouwvergunningaanvragen (“schonegrondve rklaring”), aanvragen in het kader van de Wet milieubeheer (“nulsituatie-onderzoek” voor de milieuvergunning), bij aan- en verkoop van (bedrijfs)onroerendgoed in het kader van kredietverlening, bij een acuut voorval van bodemverontreiniging en op grond van de Wet bodembescherming. Om problemen achteraf te voorkomen kan o.a. vrijwillig een bodemonderzoek uitgevoerd worden als het terrein verontreinigd is of gevaar loopt verontreinigd te raken (door derden), in het kader van de BSB-operatie en bij huur, verhuur, aan- en verkoop van terrein( delen) en/of gebouwen. Voor een uniforme uitvoering van het bodemonderzoek is de norm NEN-5740 als richtlijn voorgeschreven.
Vooronderzoek Ieder bodemonderzoek begint met e en uitgebreid vooronderzoek. Hierbij worden gegevens verzameld die voor het onderzoek noodzakelijk zijn, zoa ls het vroe gere en hu idige gebruik van de locatie en de directe omgeving, (voormalige) bodembedreigende activiteiten en/of situaties, de bodemopbouw met de geohydrologisc he situatie zoals grondw aterstromingsrichting en -diepte op de locatie en resultaten van eventuele eerdere bodemonderzo eken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek en de loc atie-oppe rvlakte w ordt de onderzoekslocatie beschouwd als:
A) “onverdacht” indien er op grond van het vooronderzoek geen redenen zijn om verontreinigingen in de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie te verwachten;
B) “verdacht” indien er op grond van het vooronderzoek in de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie verontreinigingen verwacht worden als gevolg van bijvoorbeeld (voormalige) bedrijvigheid, (voormalige) opslag van minerale brandstoffen en/of andere milieugevaarlijke stoffen, erfverhardingen die verontreinigd kunnen zijn of bodembedreigende voorvallen. Ruimtelijk kan de verontreiniging diffuus (homogeen) of kernvormig (heterogeen) verspreid zijn.
Onderzoeksstrategie en veldwerk Op basis van bovenstaande informatie wordt een opzet gemaakt van de plaats, diepte en aantal boringen en peilbuizen op de onderzoekslocatie. Ook wordt het aantal te nemen m onsters vastgesteld, evenals de stoffen waarop (in pakketvorm ) geanalyseerd gaat worden. De bepaling van een juiste onderzoeksstrategie is belangrijk, omdat op basis van de resultaten van het bodem onderzoek cruciale beslissingen worden genomen. Bij veldwerk wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond (0-0,5 m-m aaiveld), de ondergrond (0,5-2,0 m-maaiveld) en het grondwater. Indien de grond waterspiegel dieper dan 5,0 m onder maaiveldniveau ligt, is grondwateronderzoek niet noodzakelijk.
Analyses en toetsing van resultaten Een vooraf bepaald aantal grond(meng)- monsters en grondwatermonsters wordt door een STERLAB-gekwalificeerd milieulaboratorium geanalyseerd op specifieke stiffen (stra tegie “verdacht”) en/of op een breed pakket aan stoffen (“niet-verdacht”). De analyseresultatenm worden getoetst aan drie referentieniveau’s, die afhankelijk zijn van de gehalten aan klei en/of humus in de bodem van de onderzoekslocatie. Afhankelijk van de analyseresultaten kan een uitspraak gedaan worden of het doel van onderzoek gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld het verkrijgen van een bouwvergunning of een milieuvergun ning. Voor uitvoering van een bodemonderzoek op basis van de “niet-verdachte” strategie werkt DvL Milieu & Techniek met vaste tarieven afhankelijk van de oppervlakte van de onderzoekslocatie, welke op aanvraag beschikbaar zijn.
|