DvL Milieu & Techniek
                                                                                     Raadgevende Ingenieurs 

DvL Milieu & Techniek 
postbus 10047 
6000 GA  WEERT 
t.  +31 (0)495 535 884 
f.  +31 (0)495 450 313 
e.               info@dvl.nl 

Nieuws

Zoeken
Zoekopdracht
Zoek

Nader onderzoek bodemverontreiniging

Indien uit de resultaten van eerdere bodemonderzoeken blijkt dat er verontreinigende stoffen zijn aangetroffen waarvan vermoed wordt dat deze een ernstig gevaar voor de volksgezondheid of het milieu vormen, is een nader onderzoek voorgeschreven. In een nader onderzoek worden aard, locatie en concentraties van de verontreinigende stiffen bepaald en de ruimtelijke omvang van de bodemverontreiniging vastgesteld. Indien blijkt dat het een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, bestaat er een saneringsnoodzaak. Op basis van actuele blootstellings- en verspreidingsrisico’s van de verontreinigende stoffen kan de spoedeisendheid van aanpak van de verontreiniging worden bepaald. Tevens wordt beoordeeld of er veiligheidsmaatregelen, gebruiksbeperkingen en/of monitoringsactiviteiten noodzakelijk zijn tot het tijdstip van sanering.

Doelstellingen nader onderzoek
Een nader onderzoek in het kader van de Wet bodembescherming (W bb) k ent drie belangrijke doelstellingen:

- vast stellen aard en concentratie van de verontreinigende stoffen en ruimtelijke omvang van de bodemverontreiniging;
- vast stellen of er sprake is van ernstige bodemverontreiniging en daarmee de noodzaak tot saneren;
- vaststellen van de spoedeisendheid.De uitvoering naar de omvang van een bodemverontreiniging is vastgelegd in het “Protocol voor Nader Onderzoek, deel 1"; de bepaling van de saneringsurgentie van een erns tig bodemverontreinigingsgeval in deel 2: “Urgentie van bodem sanering”.

Vaststellen saneringsnoodzaak
Als uit eerdere onderzoeken bekend is of de verontreiniging diffuus (homogeen) of kernvorm ig (heterogeen) verspreid is kan nader onderzoek naar de omvang van de verontreiniging beginnen. Voor afbakening in de vaste bodem wordt vaak een systematisch meetnet van 7×7×0,5m gehanteerd. Alle grondmo nsters op de rasterpunten worden apart geanalyseerd op de “verdachte stoffen”. Boringen en analyses worden eventueel gefaseerd uitgevoerd. De afbakening wordt gestopt als vanaf de verontreinigingskern naar buiten in twee boorpunten de “verdachte stoffen” onder de streefwaarden worden gemeten. Voor ondiep grondwater wordt een meetnet van 14×14×0,5m gehanteerd. Indien in meer dan 25 m3 gron dvolume of in meer dan 100 m3 grondwatervolume “verdachte stoffen” voorkomen met gemiddelde concentraties boven de interventiewaarde, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en bestaat er een saneringsnoodzaak.

Vaststellen spoedeisendheid
Indien de saneringsnoodzaak vaststaat kan de spoedeisendheid vastgesteld worden. Aan de hand van stroom schema’s wordt de beslissing “spoedeisend/niet-spoedeisend” laagsgewijs opgebouwd. Hiervoor worden de actuele blootstellingsrisico’s voor mens, plant en dier en de actuele verspreidings risico’s van de ve rontr einige nde stoff en ge ïden tificeerd en on derzocht. M etingen aan binnenlucht, leidingwater en gewassen kunnen hierbij van belang zijn. Het bevoegd gezag beslist uiteindelijk over de spoedeisendheid en bepaa lt de termijn wanneer met de sanering gestart moet worden.

Specifieke categorieën van bodemverontreinigingsgevallen
Voor bodemonderzoek naar de omvang van verontreinigingen door brandstoffen in de grond, mobiele stoffen in het grondwater, ophooglagen en grootschalige bodembelasting is de aparte “Richtlijn specifieke categorieën bodemverontreinigingsgevallen” verschenen. Monstername wijkt af wat betreft type meetnet, rasterafstand in het meetnet en fasering van het onderzoek.