|
Te vaak komt het nog voor dat er na ingebruikname van een bepaalde ruimte of zaal in een gebouw klachten komen omtrent de akoestiek in deze ruimte of zaal.
Veel gehoorde klachten hierbij zijn:
-
teveel lawaai in de ruimte;
-
teveel galm in de ruimte;
-
teveel overlast wordt veroorzaakt door het plaatsen een machine;
-
slechte akoestiek.
In veel gevallen kan men terugvallen op standaardmeetmethoden, waarbij de akoestische karakteristieken van de te onderzoeken ruimte worden vastgelegd. Vervolgens worden deze meetwaarden getoetst aan de normen en richtlijnen.
Enkele voorbeelden van de wijze waarop DvL Milieu & Techniek een dergelijke probleem aanpakt zijn:
-
Het meten van het stoorlawaai, waarbij de grenswaarden worden geformuleerd via een Noise Rating curve (NR-curve).
-
Het meten van de nagalmtijd en het toetsen hiervan aan de normen uit het Bouwbesluit of andere richtlijnen (bijvoorbeeld NOC-NSF).
-
Het bepalen van het bronvermogen van een, in een ruimte te plaatsen, machine waarna middels zaalakoestische programmatuur het geluidniveau voorspelt kan worden.
-
Indien de spraakverstaanbaarheid in een ruimte niet optimaal is, kan de spraakverstaanbaarheid gemeten worden door de Rapid Speech Transmission Index (RASTI) te bepalen en deze te toetsen aan de richtlijnen.
Indien een muziekuitvoering niet naar behoren klinkt dient de nagalmtijd, het stoorlawaai en de verdeling van het geluid over de ruimte gemeten te worden. Een andere methode is, om op basis van een impulsresponsie van de zaal de zaalakoestische kerngrootheden te bepalen. DvL Milieu & Techniek werkt hierbij nauw samen met TNO en de TU/E.
|